Protocol
Toedienen van
sondevoeding in bolus met behulp van een systeem
Let op!
De handeling mag alleen
worden verricht door een bevoegd persoon en in opdracht van een arts.
Doel
1. Het voorkomen (of verbeteren) van (al opgetreden) complicaties van ondervoeding door verbetering van de voedingstoestand,
of
2. Het op peil houden van de voedingstoestand tijdens een (kritische) ziekteperiode met een te verwachten herstel.
-
Bij het geven van sondevoeding wordt, wanneer dit voor het eerst wordt
gegeven, een opbouwschema gehanteerd welk door de diëtist en / of arts in
overleg met de cliëntbegeleider is opgesteld
-
De cliëntbegeleider vult het voedingplanformulier
in met betrekking tot sondevoeding, na / in overleg met de diëtist.
-
De cliëntbegeleider bestelt:
-
De voorgeschreven voeding.
-
De overige materialen.
-
Zie ook indien van toepassing:
-
Protocol mondverzorging
-
Protocol inbrengen van neus / maagsonde
-
Protocol inbrengen gastrostomiekatheter
-
Protocol medicijnen toedienen via een voedingssonde / katheter
-
Protocol omgaan met sondevoeding
- In principe wordt alle voeding tussen 07.00 en 21.00 uur gegeven ( dus volgens normaal dag / nachtritme).
-
Infuusstandaard of ophangrek
-
Flessenhouder
-
Schone 500 ml fles of pack, waarin voorgeschreven voeding
-
Toedieningsysteem
-
10 ml à 20 ml Spuit
-
Kochertang of klemmetje
- Afsluitdopje of katheterstopje
- Stethoscoop
-
Doe sieraden af
-
Handen wassen
-
Zorg voor privacy
-
Vertel de cliënt het doel van de handeling en wat er gaat gebeuren, of
indien deze dit niet kan begrijpen: noem de naam van de cliënt en maak
duidelijk dat er iets gaat gebeuren.
-
Leg alle benodigdheden binnen handbereik op een dienblad.
-
Zet of leg de cliënt in de juiste houding (zittend / halfzittend)
-
Controleer of de sonde goed in de maag zit door ongeveer 5 ml lucht in
te spuiten en tegelijkertijd met de stethoscoop op het maagkuiltje te
luisteren.
-
Controleer de voeding (soort, hoeveelheid en houdbaarheidsdatum).
-
Schud de voeding gedurende ongeveer een halve minuut om, door de fles
om te zwenken
-
Maak de sondevoeding en het toedieningsysteem gebruiksklaar
-
Sluit de rolregelklem.
In
geval van een glazen fles:
-
Plaats de gevulde fles in de flessenhouder
-
Steek de spike van het toedieningsysteem door de dop van de fles en
druk de spike goed aan
-
Hang de fles aan de infuusstandaard en open het ontluchtingsdopje van
het toedieningssysteem
In
geval van een pack:
-
Hang de pack aan de infuusstandaard en open het ontluchtingsdopje van
het toedieningssysteem
-
Verwijder het blauwe beschermdopje van het pack
-
Druk de spike van het toedieningssysteem door de afsluitfolie
-
Draai het paarse dopje stevig vast
-
Vul de druppelkamer voor 1/3 deel met voeding
-
Leg een bescherming onder het aansluitstukje van de sonde in verband
met mogelijk morsen van de voeding.
-
Verwijder het afsluitdopje van het toedieningsysteem
-
Open de rolregelklem en laat het toedieningsysteem vol lopen met
voeding
-
Sluit, als de luchtbellen zijn verdwenen, de rolregelklem weer.
-
Sluit het systeem aan op de sonde.
-
Start het toedienen van de voeding door het open draaien / zetten van
de rolregelklem op de gewenste doorloopsnelheid.
-
Controleer regelmatig of de voeding op de gewenste snelheid inloopt.
-
Als de voeding doorgelopen is, de rolregelklem sluiten
-
Ontkoppel het toedieningsysteem van de sonde
-
Spuit de sonde met een spuit van 10 à 20 ml met water door
-
Sonde afsluiten en controleren of sonde nog voldoende gefixeerd zit
-
De cliënt (eventueel bij de naam noemen) vertellen dat de handeling
klaar is.
-
Fles en toedieningsysteem direct doorspoelen met water (boven een
schone / aparte spoelbak) en hangend bewaren tot de volgende voedingstijd
(maximaal 24 uur gebruiken).
-
Noteer in het dossier (of ander afgesproken plaats) eventuele
bijzonderheden en dat de sondevoeding gegeven is.
-
Obstipatie of diarree
-
Misselijkheid en / of braken
-
Verstopping van de sonde
-
Aspiratie van de voeding
-
Druk in de sonde (door bijvoorbeeld gasophoping en / of spasmen)
-
Mondproblemen.
Complicaties
moeten altijd in het zorgdossier worden opgeschreven en aan de arts te worden
gemeld.
Verpleegkundige is bevoegd
Andere
zorgverleners als men
beschikt over een bekwaamheidsverklaring (afhankelijk van instellingsbeleid)
Let op:
Het is de bedoeling met dit
protocol een bijdrage te leveren aan een goede,
verantwoorde en doelmatige zorg- en dienstverlening. Het protocol kan zo
nodig worden aangepast aan de individuele wensen van de cliënt, echter alleen
in opdracht van of met instemming van een arts.
Bij twijfel ten aanzien van de
uitvoering van dit protocol raadpleegt men de direct leidinggevende.
In situaties waarin dit
protocol niet voorziet, overlegt men met de opdrachtgever en/of de direct
leidinggevende.
Afwijken van dit protocol kan
soms noodzakelijk zijn, doch men zal afwijken van dit protocol te allen tijde
moeten kunnen motiveren. Dit protocol, hoewel richtinggevend, is slechts een
hulpmiddel en kan en mag nimmer de plaats innemen van het eigen denken en
handelen van de zorgverlener / ondersteuner.
De zorgverlener / ondersteuner
kent en neemt bij het hanteren van dit protocol zijn of haar eigen
verantwoordelijkheid.
Dit protocol is niet bestemd
voor particulier gebruik.
Auteur:
D.Slagter, verpleegkundige
Publicatiedatum:
1 mei 2001
Laatste herziening:07-03-2011
Disclaimer: De
auteur draagt geen enkele verantwoordelijkheid ten aanzien van het gebruik van dit
protocol. Raadpleeg zo nodig de arts.
Copyright © 2001 - 2012