Protocol
Inbrengen van een neus/maagsonde
Let op!
De
handeling mag alleen worden verricht door een bevoegd persoon en in opdracht
van een arts.
Het
tot stand brengen van een kunstmatige verbinding met de maag om een cliënt
vocht of voeding toe te dienen.
Het
verwijderen van maaginhoud (géén maagspoelen / hevelen)
Algemene opmerkingen
-
De keuze van de sonde is afhankelijk van de te verwachten gebruiksduur,
leeftijd / lichaamsbouw van de cliënt en de te gebruiken voeding en medicatie.
-
PVC (Poly Vinyl Chloride), is alleen geschikt voor kortdurend gebruik,
door inwerking van maagzuur wordt de tip hard in 7-10 dagen (max. 2 weken
gebruiken).
-
PUR (Poly Urethaan), soepel is vervaardigd van glad materiaal. PUR
heeft een geleidingsdraad om inbrengen te vergemakkelijken.
-
Siliconen, zeer soepel, kleine interne diameter, snel verstopt.
-
Ook is er een aanmerkelijk verschil in prijs tussen de verschillende
soorten sondes. Dit mag een punt van overweging zijn als de sonde regelmatig na
slechts korte tijd vervangen moet worden.
-
Naast het verschil in materiaal zijn er verschillen in dikte en lengte.
Dikte wordt aangegeven in charrière (ch) en is afhankelijk van de indicatie voor het geven van
sondevoeding en van de soort voeding die toegediend moet worden. Bij
vezelverrijkte voeding dient minimaal ch 10 gebruikt
te worden. Mocht toch een ch 8 geïndiceerd zijn dan
kan deze voeding alleen met behulp van een voedingspomp gegeven worden. Concentrated-voeding kan alleen met een sonde vanaf ch 10 en met gebruik van een voedingspomp.
-
Lengte wordt aangegeven in cm (110-
-
Er zijn slechts een beperkt aantal maten. En korte sonde heeft de
voorkeur als deze gebruikt wordt bij mobiele jonge cliënten.
-
Een te dunne sonde wordt gemakkelijk opgehoest en/of verstopt snel.
-
Een te dikke sonde is ongemakkelijk voor de cliënt.
-
Dienblad
-
De juiste sonde (zie algemene opmerkingen)
-
Stethoscoop
-
Bakje water
-
10 cc spuit (bij verwijderen van maaginhoud gebuikt men liever een
grotere spuit)
-
Lakmoesstrip
-
Kleefpleister
-
Schaar
-
Tissues en / of bekkentje
-
(Rol)klemmetje of kocher
-
Afsluitdopje
-
Doe sieraden af
-
Handen wassen
-
Zorg voor privacy
-
Vertel de cliënt het doel van de handeling; wat er gaat gebeuren, of
indien deze dit niet kan begrijpen: noem de naam van de cliënt en vertel dat er
iets gaat gebeuren.
Vertel de cliënt ook dat de handeling als belastend
kan worden ervaren en dat diens medewerking deze belasting kan verminderen.
-
Leg alle benodigdheden binnen handbereik klaar op een dienblad.
-
Knip 3 stukjes kleefpleister op lengte: 1 stukje van ± 3 cm en 2
stukjes van ± 5 cm
-
Bepaal de lengte van de in te brengen sonde en plak dit met een klein
stukje pleister af (van neustip, achter oor langs, tot aan maagkuiltje).
-
Breng de cliënt zo mogelijk in (half) zittende houding.
-
Maak de sonde nat met warm water.
-
Buig het hoofd van de cliënt iets naar achteren
-
Breng de sonde via de neus in tot aan de vooraf bepaalde lengte.
-
Buig het hoofd van de cliënt iets naar voren, richting borst.
-
Vraag, indien mogelijk, de cliënt te slikken.
Indien dit verantwoord is kan een slokje water geven
ook helpen.
Aarzel niet bij het inbrengen van de sonde omdat dit
zeer belastend is voor de cliënt.
-
Schuif de sonde op tot de gemarkeerde lengte tijdens het slikken van de
cliënt
-
Plak de sonde provisorisch vast.
-
Controleer of de sonde zich in de maag bevindt.
1e Controle:
Leg de stethoscoop in de maagstreek en spuit met de 10 ml-injectiespuit van 5
ml lucht in de sonde.
Als men lucht hoort borrelen
(of zoeven) zit de sonde goed.
Verwijder de spuit (en
eventueel koppelstukje).
Indien de sonde niet goed
ligt; trek de sonde iets terug of verwijder de sonde, breng deze opnieuw in en
controleer de ligging.
2e Controle:
Plaats de
10-ml-injectiespuit op de sonde.
Zuig met de spuit
voorzichtig maagsap op.
Beoordeel het maagsap en
bepaal de PH waarde met behulp van de lakmoesteststrip.
De sonde ligt in de maag als
de lakmoesstrip “zuur” kleurt (niet bij zuurremmende therapie).
Zuig 10 ml water op en spoel
de sonde door.
Verwijder de spuit (en
eventueel koppelstukje).
Indien de sonde niet goed
ligt; trek de sonde iets terug of verwijder de sonde, breng deze opnieuw in en
controleer de ligging.
Let op: Of de 1e en/of de 2e controle of een combinatie
daarvan wordt uitgevoerd is afhankelijk van de opdracht van de arts en het
instellingsbeleid in deze.
-
Plak de sonde nu goed vast, zodanig dat de sonde enigszins met de slikbeweging
kan mee bewegen.
Hierdoor worden
slijmvliesbeschadigingen in neus en slokdarm verminderd / voorkomen.
Plak het midden van een stuk pleister aan de
onderkant van de sonde vast op ± 2 cm vanaf de neus.
Leid beide uiteinden kruislings naar boven en plak
ze op de neus vast of plak de pleister op een hydrocolloïdplak of Tegaderm die op de wang is aangebracht.
-
Sluit de sonde af met een dopje / stopje.
-
Leid de sonde achter het oor langs en fixeer deze met een stukje
pleister op de wang of de slaap.
-
Bevestig, indien gewenst, de sonde met een stuk pleister en een
veiligheidsspeld aan de kleding.
-
Observeer de cliënt tijdens en na het inbrengen van de sonde.
-
Vertel de cliënt dat je klaar bent.
-
Ruim de gebruikte materialen op.
-
Handen wassen.
-
Noteer in het dossier (of ander afgesproken plaats) dat de handeling is
uitgevoerd.
-
Longontsteking t.g.v. inbrengen in luchtpijp.
-
Maagslijmvliesbeschadiging door aanprikken met sondepunt of te krachtig
opzuigen van maaginhoud(bloeding).
-
Decubitus neuswand (in geval de neussonde in
de neus blijft)
Complicaties
moeten altijd in het zorgdossier worden opgeschreven en aan de arts te worden
gemeld.
Verpleegkundige is bevoegd
Andere
zorgverleners als men
beschikt over een bekwaamheidsverklaring (afhankelijk van het beleid van de
organisatie waar men werkt)
Let op:
Het is de bedoeling met dit
protocol een bijdrage te leveren aan een goede,
verantwoorde en doelmatige zorg- en dienstverlening. Het protocol kan zo
nodig worden aangepast aan de individuele wensen van de cliënt, echter alleen
in opdracht van of met instemming van een arts.
Bij twijfel ten aanzien van de
uitvoering van dit protocol raadpleegt
men de direct leidinggevende.
In situaties waarin dit protocol
niet voorziet, overlegt men met de opdrachtgever en/of de direct
leidinggevende.
Afwijken van dit protocol kan
soms noodzakelijk zijn, doch men zal afwijken van dit protocol te allen tijde
moeten kunnen motiveren. Dit protocol, hoewel richtinggevend, is slechts een
hulpmiddel en kan en mag nimmer de plaats innemen van het eigen denken en
handelen van de zorgverlener / ondersteuner.
De zorgverlener / ondersteuner
kent en neemt bij het hanteren van dit protocol zijn of haar eigen
verantwoordelijkheid.
Dit protocol is niet bestemd
voor particulier gebruik.
Auteur: D.Slagter, verpleegkundige
Publicatiedatum:
1 mei 2001
Laatste herziening: 25-06-2011
Disclaimer: De
auteur draagt geen enkele verantwoordelijkheid ten aanzien van het gebruik van
dit protocol. Raadpleeg zo nodig de arts.
Copyright © 2001 - 2012